|
Welke
rol kunnen prebiotica spelen in de preventie van chronische aandoeningen? |
|||||||||||||||||||||||||||
|
Inuline
en oligofructose zijn koolhydraten met zeer speciale eigenschappen. Beide zijn
natuurlijke voedselingrediënten die in meer dan 36.000 plantsoorten voorkomen
waar ze als energie-reserve fungeren (1). Inuline werd voor het eerst geïsoleerd
door Rose in 1804. Inuline en oligofructose bestaan uit lineaire ketens van
glucose- en fructosemoleculen (fructosepolymeren met één glucosemolecule op de
finale plaats), verbonden door b(2-1)
bruggen: inuline heeft een polymerisatiegraad (DP = degree of polymerization) of
ketenlengte van 2 tot 60+. Een DP = 1 betekent één fructosemolecule verbonden
met een glucosemolecule (zoals in sucrose). Oligofructose ontstaat door partiële
hydrolyse met inulase-enzyme van inuline en heeft een polymerisatiegraad onder
de 10 (2). Schematisch gezien kan inuline voorgesteld worden als G-F-(F)n,
met G-F als glucose-fructose verbinding en n geeft het aantal fructosemoleculen
weer. Raftilineâ
(inuline) en Raftiloseâ
(oligofructose) worden beide geproduceerd door Orafti, een dochter van de Tiense
Suikerraffinaderij. De term oligofructose werd voor het eerst geïntroduceerd
door Orafti in 1989 als synoniem voor fructo-oligosacchariden (3). In de
praktijk gebruikt men de term oligofructose voor het preparaat bereid uit
chicoreiwortel en fructo-oligosacchariden voor een synthetische bereiding uit
sucrose. Er zijn geen verschillen in prebiotische werking tussen beide vormen
(4). Door zijn langere keten is inuline minder oplosbaar in koud water (wel in
warm water) dan oligofructose waardoor in waterig milieu een gel wordt gevormd.
Deze inulinegel bestaat uit een 3-dimensioneel netwerk van onoplosbare fijne
partikels, die het mondgevoel van vet imiteert (inuline heeft geen zoete smaak):
inuline wordt dan ook als vetvervanger gebruikt in melkproducten, dressings en
desserten zonder smaak- of textuurwijzigingen te geven. Oligofructose heeft
vergelijkbare eigenschappen met sucrose, is minder zoet (ongeveer 30% van de
zoetkracht van sucrose, waardoor oligofructose niet als volledige vervanger van
sucrose kan dienen) en wordt gebruikt in voedingsmiddelen als vezelrijk en
energie-arm vervangmiddel voor sucrose. Oligofructose komt voor in
graanproducten, fruityoghurts en koekjes. Oligofructose zorgt voor een daling
van de nasmaak te wijten aan kunstmatige zoetmiddelen (5). Beide kunnen niet
opgelost worden in soft-drinks en in confituur: in dergelijk zuur milieu zal op
lang termijn hydrolyse optreden met vorming van fructosemoleculen. Inuline en
oligofructose leveren minder energie dan koolhydraten en werken als vezels
doordat de fructose-moleculen verbonden zijn door b(2-1)
bruggen. Deze binding kan niet gesplitst worden door de intestinale enzymes die
normaal gezien vlot koolhydraten splitsen (enkel α(1-2) verbindingen worden
vlot gehydroliseerd). De lengte van de ketens is bepalend voor de duur van de
fermentatie: hoe hoger de polymerisatiegraad, hoe langer de fermentatie. Gezien
er geen vertering kan optreden door enzymes, leveren inuline en oligofructose
geen 3,9 kcal per gram (16,3 kJ/g) zoals koolhydraten. De flora van het colon
zorgt voor een fermentatie van inuline en oligofructose met productie van
vetzuren met korte ketens die energie leveren (acetaat, butyraat, propionaat en
lactaat). Deze fermentatiegraad is echter afhankelijk van de darmflora, er zijn
dus interindividuele verschillen in energieproductie. Volgens Roberfroid et al.
(6) leveren inuline en oligofructose slechts 1,1 tot 1,7 kcal per gram (4,6 tot
7,3 kJ/gram). Deze wetenschappelijke energiewaarde treedt in conflict met de
legale energiewaarde (in Europa nul kcal). Beide stimuleren de insulinesecreties
niet en mogen door diabetici gebruikt worden (1). Studies
bij patiënten met een ileostomie toonden aan dat inuline en oligofructose
onaangetast de dikke darm bereiken. Studies op deze patiënten zijn nuttig om de
hoeveelheid nutriënten op te sporen die na orale inname het colon bereiken bij
gezonde individuen. Bach Knudsen et al. (7) vonden bij 7 ileostomiepatiënten
87% van de ingenomen dosis inuline (10 gram en 30 gram) terug in de stoelgang. Ellegard
et al. (8)
vonden 88% van de inuline en 89% van oligofructose terug in de stoelgang van 5
ileostomiepatiënten (orale dosis was 17,1 gram inuline en 15,5 gram
oligofructose). Er werd eveneens geen remming aangetoond op de absorptie in de
dunne darm van zink, ijzer, cholesterol, magnesium, vetten en galzouten.
Figuur
1: Verwerking inuline en oligofructose door de darmflora.
Wat
is de gemiddelde opname per dag aan inuline en oligofructose?
Moshfegh
et al. (9) berekenden de gemiddelde opname aan inuline en oligofructose per dag
door Amerikanen. Als gegevens gebruikten ze de 1994-1996 Continuing Survey of
Food Intakes by Individuals (2 voedingsanamnesen van 24 uren uitgevoerd door
getrainde interviewers). Tabel
I bevat de gemiddelde opnames per leeftijd en geslacht. Jonge kinderen hebben de
laagste opnames, mannen tussen 20 en 49 jaar de hoogste opnames. De verschillen
in opnames tussen mannen en vrouwen zijn het gevolg van de hogere energetische
behoefte van mannen. De voornaamste bronnen aan inuline waren tarwe (69%), uien
(23%), bananen (3%) en look (3%); voor oligofructose waren de voornaamste
bronnen tarwe (71%), uien (24%), bananen (2%) en look (2%).
Tabel I: Gemiddelde opname per dag in gram aan inuline en oligofructose in functie van de leeftijd en het geslacht (cijfers voor de Verenigde Staten) (1) .
Het natuurlijk voorkomen van inuline en oligofructose in onze voeding sinds eeuwen wordt als veiligheidscriteria gebruikt: er waren tot op heden geen twijfels over de veiligheid. Inuline werd trouwens sinds 1934 gebruikt om de glomerulaire filtratie te meten .
|